Poëzie & korte verhalen

Sinds ik met pensioen ben en deel uitmaak van de werkgroep (officieel Stichting Vrienden van de Poëzie Gelderland, jawel) van het Festival Het Park Vertelt, schrijf ik gedichten, ooit ontstaan in de wachtkamer van de dokter. Hieronder enkele gedichten uit 2016. Een aantal is inmiddels gepubliceerd in PoeziePuntGl, een driemaandelijks tijdschrift voor de Gelderse dichters. U kunt mij uitnodigen om gedichten of verhalen voor te lezen.

 

Bloot, bloter, blootst

de man zat bloot in de sauna
maar met een onderbroekje aan
binnenstebuiten
het merkje aaibaar aan de achterkant
vrouwen lachten naar elkaar
kijk eens, zeiden zij, nog even
en zijn piemel hangt eruit;
zullen wij toch schrikken…

de man werd al maar bloter
ging steeds meer zweten
daar hielp geen handdoekjelief meer aan
zijn vetrandjes werden kwabben
en zijn bril besloeg,
weerkaatste flets zijn rode wangen
bloter hadden zij nog nooit een man gezien

Herenleed

Zes fitte senioren sloffen over de tennisbaan,
hun handen diep in de zakken vanwege de kou.
De banen zijn waardeloos, zeggen ze, het gravel is modder.
IJs in de grond, het water kan niet weg,
het zonnetje schijnt ook never nooit, zeggen ze,
kunnen we vandaag alwéér de schrapers laten staan.

-Mijn nieuwe heup is nog stijf, links moet ook gerenoveerd,
tennissen is niet voor me weggelegd dit jaar.
-Mijn nieuwe knie loopt ook al niet gesmeerd.
-Ga je toch in een rolstoel, riposteert de man met de grauwe staar.
-Wat zeg je?
Vanwege zijn bloeddruk is de oudste man doof aan één oor.
-En jouw prostaat? Komen er nog druppeltjes door?

Ze pakken een bakkie troost,
Mopperen op PSV, half Vitesse opgekocht
en nog winnen ze niet van die godenzonen uit Amsterdam.
Zullen we maar gaan vegen?
Regen is toch een zegen…

Ze praten luid.
Hun gehoorapparaten maken ruis
en liggen thuis.
In hun eigen schuur zijn ze hier,
hun eigen mannending

Bossche Bollen

De Bossche Bollen Bakkerij van Jan de Groot is niet meer
-volgens mijn vrouw- wat ie was, ooit, in de vorige eeuw.
Nu een speelzaalwinkel vol kleine schreeuwende brakken.
Hun zuurstokrode stemmetjes zijn als
de pauze van een vrouwenkoor.

Mijn donkerbruine stem, als een dikke laag choco op mijn bol,
klinkt hier overwegend hol als een schorre scheepshoorn.
Twee zesjarigen rijden op hun stepje over zwarte tegels
en worden weggestuurd door het zestienjarige hulpje
met haar zachte g en nog zachtere stem.

Je ziet haar denken: après nous le déluge.
Nou ja, meer toch: fuck off, kleine klootzakken!
Intussen wringt een groep gehandicapten zich naar binnen
en bonkt de trap op naar één hoog
het enige toilet.

KORTE VERHALEN

Poperinge, 1917.

Na dertig dagen in de loopgraven bij Ieper kreeg Jan Hardeman twee dagen vrij, het zogenaamde ”lange weekend”. Naar huis, daar bij Brugge, kon hij niet, alles was Duits gebied. Al zijn maten gingen zo’n weekend naar Poperinge, tien kilometer achter het front in dat kleine stukje Westhoek dat aan Frankrijk grensde en nog niet bezet was. Zijn wensen voor dat weekend waren eenvoudig: een warm bad, een pint en een warm bed. En heel lang slapen en even alles vergeten. Van de luitenant kreeg hij zijn wedde mee en lopend ging hij op weg naar P. Na een kilometer kon hij meerijden met een Engelse jeep die hem bij het Taylorhuis, een gastvrij hotel/cafe/bar voor militairen, in Poperinge afzette. Het Taylorhuis stond midden in het stadje en gaf onderdak aan militairen van welke rang dan ook; het was opgericht door twee aalmoezeniers van het Engelse leger. Iedereen was welkom. Daar kreeg je een bed, een bad en een pint.
Na aankomst besloot Jan een wandelingetje door het stadje te maken. Toen hij alle kerken van Poperinge bekeken had was hij een eind van het centrum afgedwaald en raakte hij verzeild in een hevige regenbui. Het deerde Jan niet, hij was heel wat water gewend in de loopgraven! Het stortte op een gegeven moment zo verschrikkelijk dat hij even ging schuilen in de portiek van een groot huis. Het huis zag er gezellig verlicht uit. Het begon te onweren. Plotseling ging de voordeur open. “Komt u toch binnen meneer,” zei het aardige meisje, dat de deur open gedaan had, tegen hem. ”Wat kunnen wij voor u doen?”
“Een bed, een bad en een pint,” lachte Jan. ”Een bed en een pint hebben we en in plaats van een bad krijgt u mij. Oké?”
Het kostte hem zijn hele wedde, maar het was het waard geweest.
Een week later was hij dood.

HULP IN DE HUISHOUDING

Het is 1993. Ik heb een drukke baan en woon alleen. Het huis is behoorlijk groot, in de binnenstad van Utrecht en het moet toch een beetje bijgehouden worden. Hoe ik aan haar gekomen ben, weet ik niet meer, maar opeens was ze er: Silvana uit Bosnië. Een niet onknappe vrouw, half dertig, met vriendelijke ogen en een leuke lach. Ze was een beetje geheimzinnig over haar woonadres, maar haar telefoonnummer kreeg ik wel. Zij ging voortvarend mijn huishouden doen. Ik zag haar niet vaak, overdag werkte ik en ik legde het geld voor haar klaar in de keuken. Ze werkte prima, de vaat was gedaan, het stof gezogen, het bed netjes opgemaakt, ze was nergens te beroerd voor.
De enkele keer dat ik haar wel zag, uitte ik mijn tevredenheid. Dan straalde ze. Ik vertelde aan mijn toenmalige vriendin dat dit een uitstekende keus was geweest. “Pas maar op, jij,” zei ze.
Toen ik Silvana weer zag op een ochtend rond een uur of twaalf, ik had wat stukken thuis laten liggen die ik even kwam ophalen, begon ze spontaan te huilen toen ik vroeg hoe het met haar ging.
”Ik met oude man trouwen,” zei ze in best wel aardig Nederlands, “maar hij gestorven. Nu kan ik geen paspoort krijgen. Mijn man werkt hier in Utrecht als kok, illegaal, en hij heeft ook geen paspoort. Wij willen in Nederland blijven voor onze kinderen. Ik zou met die Nederlander trouwen, maar dat gaat nu niet door.
Ik vond het heel vervelend voor haar. Empathie tonen, had ik net op een cursus geleerd.
”Maar je bent toch al getrouwd,” zei ik volkomen naïef, ”en je hebt al kinderen.”
”Jij met mij trouwen,” zei ze toen, ”jij bent toch ook alleen? Wij zullen samen geen ruzie maken, ik vind jou aardig. Mijn man vindt het goed. Dan gaan wij later weer scheiden en heb ik een paspoort!”
Ik zei dat ik een leuke vriendin had en niet van zins was om met haar te trouwen. Dat me dat ook geen oplossing leek. Dat ik haar best wilde helpen bij de instanties om aan een paspoort te komen. Ze keek bedrukt, nam het geld van het aanrecht en ging snel naar huis. De week daarna verscheen ze niet om mijn huishouden te doen. “Zie je wel,” zei mijn vriendin.

Een nieuw paspoort

Vanmorgen ga ik mijn paspoort verlengen. Ik ga lekker vroeg op pad, lopend, het stadhuis is niet ver. Er is geen rij voor het loket, bij ons op het dorp zijn er nooit rijen, behalve voor de kassa van Albert Heijn. Een vriendelijke mevrouw vroeg mijn pasfoto alsmede de betaling en vervolgens mocht ik in een merkwaardig felrood apparaatje mijn vingerafdrukken zetten. Een keer, twee keer, drie keer enzovoort.
De mevrouw kijkt mij verbaasd aan: ”U hebt helemaal geen vingerafdrukken, meneer?!”
”Hoe kan dat nou,” zeg ik, ”die slijten toch niet af? En met nagelbijten kan dat toch ook niet gebeuren?” De mevrouw deelt mij mede dat ik geen paspoort kan krijgen zonder vingerafdrukken. Ik vraag nog op mijn leukst: ”waar moet ik ze dan kòpen?” Om dan een beetje nijdig te worden: ”Doet u het dan op de ouderwetse manier, voor mijn part, of haal uw chef er even bij. Ik moet over een maand naar het buitenland!”
De chef komt er bij. Een allervriendelijkste man; hij vertelt dat hij de procedure moet nagaan bij ”bevoegde instanties” om te onderzoeken wat de oplossing is. Morgenochtend zal hij mij daarover telefonisch persoonlijk inlichten. Ik ga een tikkeltje verbaasd naar huis in de veronderstelling dat alles natuurlijk goed zal komen.
De volgende ochtend geen belletje. ’s Middags ook niet. Ik bel de dag daarop en hij is niet aanwezig. Niemand weet iets van mijn ”geval”. Er wordt een notitie voor hem neergelegd. Het blijft nog enkele dagen stil op het gemeentehuis. Ondertussen kijk ik op internet of ik iets kan vinden over vingerafdrukloze landgenoten.
Na een week ga ik weer terug. Opnieuw tref ik de aardige mevrouw. ”We proberen het gewoon nog eens meneer. Ik weet alleen dat zware criminelen wel eens hun vingerafdrukken laten wegschroeien, maar daar ziet u niet naar uit, hoor. Grapje, hoor.”
”Mevrouw, ik heb dringend een nieuw paspoort nodig, benadruk ik nog maar eens de ernst van de situatie.
Weer drie keer mijn vingers in dat enge rode nietmachientje gedrukt, weer niets. Wat is wijsheid? Vingers gewreven, handen omhoog gestoken, vingers afgeveegd aan mijn jas, niets helpt. De mevrouw wordt nerveus. ”Wilt u een kopje koffie meneer, dan ga ik even naar meneer Jansen.” Dat is die man die mij zou bellen. Ze komt met hem terug, geen woord van excuus van zijn kant en hij zegt: ”Meneer ik maak dit in orde voor u, volgende week maandag is het paspoort klaar.
Die maandag haal ik mijn paspoort op. Het ligt er! Ik adem verheugd, wil al weggaan als de mevrouw zegt: ”Het is maar één jaar geldig, meneer.” Ik ontplof ter plekke. Heb ik daar het volle bedrag voor betaald? Ik heb toch net als ieder ander recht op een paspoort dat tien jaar geldig is. U weet toch dat als je bepaalde medicijnen gebruikt, je vingerafdrukken verdwijnen kunnen. Dat staat gewoon in de krant! En op internet! De mevrouw is onthutst door zo veel boosheid van mijn kant na zoveel goede wil van haar kant.
Ze kijkt radeloos rond. “Ach Jenny,” zegt haar collega, ”Je moet meneer vragen of hij zijn vingers even langs zijn neus haalt, grote kans dat het dan lukt.”
Het rode apparaatje opnieuw. En het lukt. Mooie gave vingerafdrukken. Ik krijg het nieuwe tien jaar geldende paspoort twee dagen voor mijn vakantie per express thuis bezorgd.